Een hond met een voetbalknie ofwel een gescheurde kruisband

Dierenkliniek "Kortenoord":
Erica Kiemeneij, Frans Smeur, Robert Jassies, Steven Schukking

www.kortenoord.com

Het scheuren van de voorste kruisband komen we zowel bij kleine als bij grote hondenrassen tegen. Bij de kleine hondenrassen zien we het vaak op oudere leeftijd gebeuren. Bij de grotere hondenrassen juist als ze jong en onstuimig zijn. Bij sommige rassen: Boxer, Rottweiler, Berner Sennenhond en Retrievers, zien we de voorste kruisbandscheuring vaker optreden dan bij andere rassen. Bij sommige van deze rassen wordt dan ook wel aan een erfelijke basis gedacht. Voor wat betreft de Boxer wordt ook niet voor niets gesproken over de 'Boxerknie'.

Ook bij kleinere rassen als de Entlebucher, Yorkshire terriër en Poedel zien we de kruisbandscheuring optreden. Bij deze twee laatste rassen meer op latere leeftijd. Een degeneratie (= slijtage) van de kruisband zou hieraan ten grondslag liggen.

Oorzaak

Een kruisbandscheuring kan acuut optreden. Bij een onverwachte heftige beweging, bijvoorbeeld bij het spelen met andere honden of bij een onverwachte rembeweging achter een stok of een bal aan, kan de kruisband ineens totaal scheuren. De hond loopt van het ene op het andere moment mank en belast de poot amper. Meestal tipt hij de grond nog aan met zijn tenen. Pijnstillers en rust zullen wel iets verbetering geven maar de hond blijft ernstig mank lopen.

Dit laatste geldt niet voor een gedeeltelijke kruisbandscheuring. De hond verdraait zijn knie, ook wederom bij een gekke beweging, maar loopt minder mank dan bij een totale kruisbandscheuring. Pijnstillers en ontstekingsremmers bieden vaak uitkomst en na een kuur met deze middelen en aangepaste beweging kan de hond weer helemaal goed lijken. Toch zullen deze gedeeltelijke kruisbandscheuringen vaak leiden tot een totale scheuring, al kunnen hier soms verscheidene maanden tot jaren overheen gaan. Wel is het zo dat bij deze honden al een behoorlijke artrose-ontwikkeling plaatsvindt die bij een latere operatie de genezing behoorlijk kan vertragen.

Diagnose

Om vast te stellen of een kruisband totaal gescheurd is, zal er een (klinisch) onderzoek aan de hond moeten plaatsvinden. Bij dit onderzoek wordt getracht het zogenaamde 'schuifladefenomeen' op te wekken. Hierbij wordt getracht het onderbeen ten opzichte van het bovenbeen te verschuiven, hetgeen bij een intacte kruisband niet mogelijk is. Soms moet dit onderzoek onder sedatie plaatsvinden. Het vaststellen (= diagnostiseren) van een gedeeltelijke kruisbandscheuring is vaak in de praktijk niet mogelijk. De knie is wat verdikt en pijnlijk, maar een echt schuifladefenomeen is niet op te wekken. In sommige gevallen kan een herstel optreden, maar meestal is in latere instantie, als de hond een steeds terugkerende mankheid overhoudt, een (kijk)operatie de enige oplossing om de diagnose te stellen. Bij deze operatie wordt dan direct de stabiliteit hersteld.

Röntgenfoto’s kunnen worden gemaakt om de mate van artrose vast te stellen (extra botvorming rondom het gewricht dat optreedt 3 tot 6 weken na het ontstaan van de (gedeeltelijke) scheuring). Een echte diagnose is door middel van een röntgenfoto meestal niet te stellen.

Rasgebondenheid

Veel rassen zijn gevoelig voor een kruisbandscheuring. Grote en zware rassen (Berner Sennenhond/Rottweiler/Herder), atletische onstuimige honden (Entlebucher/Boxer) en honden met een steile stand van de achterpoten (Berner Sennenhond/Rottweiler/Boxer en Zwitserse Sennenhond) blijken vaker een kruisband te scheuren dan andere rassen. Toch kan iedere hond bij een onverwachte beweging zijn kruisband scheuren. Ook oudere honden en kleinere rashonden lopen meer risico. De Poedel, Yorkshire terriër en het Maltheser Leeuwtje zijn daar goede voorbeelden van.

Therapie

Bij een gedeeltelijke kruisbandscheuring kan met pijnstillers en ontstekingsremmers worden getracht de hond weer in de benen te krijgen. Meestal loopt deze dan ook weer goed na zo’n kuur. Toch zal in veel gevallen een gedeeltelijke kruisbandscheuring ook leiden tot een totale scheuring, waarna een operatie altijd noodzakelijk is.

Hoe langer wordt gewacht met een operatie, des te ernstiger wordt de artrose van het gewricht en deze vertraagt vaak de revalidatie van de hond na een operatie. Ook het risico van scheurtjes in de meniscus wordt groter naarmate een (gedeeltelijke) kruisbandruptuur langer bestaat. Door een (gedeeltelijke) ruptuur van de kruisband ontstaat meer ruimte en beweeglijkheid in het kniegewricht, waardoor tijdens het lopen gemakkelijk scheurtjes in de meniscus ontstaan. Tijdens een operatie zal deze meniscus dan ook gedeeltelijk verwijderd moeten worden.

De operatie bij de grotere hond bestaat bij ons op de kliniek uit het plaatsen van een nieuwe, lichaamseigen band (afkomstig uit een peesplaat) die buiten het gewricht om wordt geplaatst, ook wel methode FLO genaamd. Bij kleinere honden (< 10 kg) voldoet een zogenaamde kapselhechting uitstekend. Hierbij wordt het kapsel zeer strak gehecht waardoor de stabiliteit van het kniegewricht hersteld wordt.

Post operatief (na de operatie)

Na een operatie zullen honden moeten revalideren. De eerste zes weken zal de patiënt minimaal mogen bewegen en aangelijnd moeten worden uitgelaten. Wij als dierenartsen zullen altijd een bewegingsschema meegeven. Na zes weken mag de hond weer meer gaan doen. De snelheid van revalidatie hangt af van een aantal factoren. De leeftijd van de hond; bij een oudere hond verloopt de revalidatie vaak traag. Ook de hoeveelheid artrose aanwezig op het moment van operatie is bepalend voor een snel of traag verlopend herstel. Hoe langer er wordt gewacht met een operatie van een (gedeeltelijke) kruisbandscheuring des te meer artrose zal ontstaan en des te langer zal de revalidatie duren. Ook het gewicht van de hond is belangrijk; lichte honden revalideren beter dan (te) zware honden. Ook na een geslaagde kruisbandoperatie ontstaat bij 20% van de honden alsnog een scheuring van de meniscus. Het zal voor zich spreken dat een tweede noodzakelijke operatie het herstel van deze honden vertraagt. Normaal gesproken heeft een kruisbandoperatie een grote kans van slagen. De honden kunnen meestal na 8 tot 12 weken weer goed functioneren. Wel zal altijd een lichte startstijfheid blijven bestaan. Dit als gevolg van de artrose (die altijd ontstaat ook na een vroegtijdige operatie) en de littekenvorming in en rondom het gewricht. De eventuele artroseklachten kunnen prima met homeopatische middelen behandeld worden. Eenmaal aan één poot geopereerd is de kans groot (> 50%) dat ook de andere kruisband zal scheuren. Dit kan soms zelfs na jaren nog gebeuren.

Risico/preventie

Grotere en onstuimige rassen lopen meer risico’s. Het is dan ook aan te raden om zeker het eerste levensjaar niet al te veel met stokken en ballen te spelen. De banden, spieren, pezen en kapsels moeten hun sterkte nog krijgen en worden zo niet onnodig belast. Ook het spelen met andere honden brengt grotere risico’s met zich mee. Het eerste levensjaar is bepalend voor verscheidene gewrichten (heupen, ellebogen, knieën) voor het functioneren in de rest van een hondenleven. Het spelen met stokken en ballen en anderen honden moet zoveel mogelijk voorkomen worden, maar goede rechtlijnige beweging is van levensbelang. Een schema van 5 minuten per keer per maand leeftijd is een goede richtlijn. Dit kan 4 à 5 keer per dag worden gedaan. Voor een hond met een leeftijd van drie maanden betekent dat dan dat deze 15 minuten aaneengesloten mag lopen, maar dat wel 5x per dag.

Ook het gewicht van de hond heeft invloed op het ontstaan van een kruisbandscheuring. Te zware honden lopen meer risico. Een schrale hond (met lichte druk de ribben voelen) is zeker in de groei ook aan te raden. Daarnaast verloopt het herstel van een operatie van een te zware hond vaak trager.

Uit het verhaal blijkt dat bij bepaalde bewegingen sneller kruisbandscheuringen ontstaan. Toch ben ik niet van mening dat een hond dan maar als een 'kistkalf' moet worden opgevoed. Op ieder onverwacht moment kan een hond z'n kruisband scheuren, voorkomen lukt bijna niet. Belangrijk is in ieder geval wel op tijd het probleem te onderkennen.