margin-bottom:.0001

‘Kreeg u er ook batterijen bij?’         (Vervolg Lutske)

 

Sinds we in oktober Lutske ophaalden, een acht weken oude zwart-zilver Dwergschnauzer, maak ik elke dag wat mee. Het is mijn eerste hond en alles is nieuw, zowel voor haar als voor mij. Als we in die beginperiode uitgaan (en dat gebeurt wel tien keer per dag), loop ik naar de deur, zeg met enthousiaste stem: “We gaan naar buiten!”, koppel haar riem aan het minuscule leren halsbandje en open de voordeur. Afhankelijk van haar bui (lui want net wakker of druk druk druk, opgefokt door de kinderen) heeft ze een zetje nodig of moet je haar tegenhouden bij de drempel.

De regel is: voeten vóór pootjes. Ik ben de alfahond in deze roedel en Lutske is - met alles - de laagste in rang. Ze eet pas als wij klaar zijn, ze mag niet op de bank, ze gaat pas door de deur ná ons. Een hele hondenwereld opent zich voor mij. Het eerste wat ik ’s morgens doe, het laatste voordat ik ga slapen: Lutske uit laten.

Twee soorten mensen kom ik buiten tegen: zij die met een luide knak onmiddellijk door de knieën zakken en zij die gewoon doorlopen, mijn Lutske niet zien staan, met haar kwispelende staartje en haar smekende blik, het kopje schuin. Het is een pittig hondje dat op iedereen enthousiast afstapt. Zowel mannen als vrouwen krabbelen haar onder de kin (de kenners) of aaien haar hoofd (de dummies).

Lutske voldoet aan alle verzoeken, geeft kusjes op commando, daagt uit, zakt door haar voorbenen, zwiept met haar staartje. Aan iedereen die dat wil, geeft ze een likje. Mensen draaien zich om, spreken me aan, lopen met me op. Ben je uit op nieuwe sociale contacten: neem een puppy van een klein en aaibaar ras. Bereid je wel voor op ‘leuke’ uitspraken. ‘Pas op hoor, hij bijt!’ ‘Kreeg u er ook batterijen bij?’ ‘Hé, mensenredder!’

Om haar aan allerlei geluiden en omgevingen te laten wennen, bezocht ik de markt in Maarssen. Die stelt niet zoveel voor; in de vijftien jaar dat we er wonen heb ik het zien afzakken van een goed gevuld plein tot een tiental kramen en een enkele kaas- en worstwagen. Een vrouw, midden vijftig, sprak me aan nadat ze Lutske uitbundig had begroet.  Ze had geen stem en moest dicht bij me staan om zich verstaanbaar te kunnen maken. ‘Elk hondje dat ik tegenkom móet ik even aaien. Ziet u, onze hond is een tijdje terug overleden’, fluisterde ze in mijn oor. ‘Mijn zoon had hem gevonden op een parkeerterrein en hij kwam ineens bij mij de keuken in. Jij wilde toch altijd een hond hebben?’ Ze vertelde een verhaal over een inbraak en dat ze vermoedde dat het de eigenaar was, die de hond expres had achtergelaten. Ik begreep het maar half, maar wat maakte het uit want het was heerlijk weer en ik vind het eigenlijk wel leuk, zulke verhalen. Lutske was ondertussen maar gaan zitten, want dit kon nog wel even duren. ‘Nu is hij dood. En daarom aai ik alle hondjes die ik tegenkom, want ik mis hem nog steeds.’

Nog geen twee minuten later ontmoette ik op het parkeerterrein achter mijn huis een vrouw met de fiets aan de hand. Ze kriebelde Lutske onder het hoofd en met tranen in de ogen sprak ze me aan: ‘Mijn poes is net dood.’ Ze gaf nog gauw een aai en reed weg. Toen stopte ze, keerde om en liep terug: ‘Daar kom je niet zo snel overheen hoor.’

 

Daphne Riksen.